Je zei nog tot morgen,
maar die moeite had je je beter bespaard,
je stond er niet.
Maar je witte lichaam,
lag ondertussen in het ziekenhuis.
Ik geloof niet dat je nu in de hemel bent,
want ik weet dat je in velen van ons nog door het hoofd spookt,
dat je nog verder leeft in ons hart.
Als ik ’s middags bij de meisjes van ‘onze’ klas loop,
voelt het raar in mijn buik,
ik voel me leeg en alleen,
desondanks de moeite die ze doen om me op te beuren.
Soms zit ik alleen op een bankje,
dan droom ik gewoon weg bij die gedachten die ik me nog kan herinneren ,
dingen die we samen nog zouden doen,
bij lieve woordjes die je fluisterde in mijn oren,
je stem,
je gezicht.
Maar nu,
Nu ben je weg,
Ik heb ook niet echt afscheid genomen,
Enkel een ‘tot morgen’ –tje.
En nu ik je hier zo zie liggen,
Wezenloos en lijkbleek.
IK voel me zo machteloos,
Ik wil je ook nog zoveel zeggen.
Het verdriet dat ik voel,
is niet uit te drukken,
het voelt alsof mijn hart is verschrompeld.
Wat zou ik mijn woede graag uitdrukken,
tegenover die lompe chauffeur,
even zeggen hoe laf ik dat wel niet vind.
Want nu sta ik hier alleen,
Met een leegstaand hert
en een hoofd waarin het spookt,
ik mis je zo.