Ik word wakker, stap moeizaam uit bed.
Ik loop naar het raam, kijk naar de hemel,
Geen wolk grijs, of is het maar schijn?
Ik zie al die mensen, denk bij mezelf “die hebben allemaal een leven”,
Maar met mij willen ze het niet delen.
Ik krijg geen lucht, ik geef een diepe zucht.
Al zuchtend ga ik naar beneden, piekerend over het verleden en heden.
Eens beneden probeer ik wat te eten,
Terwijl mijn eerste teleurstelling nog probeert te verteren.
Ik kan haast niet slikken, zonder mijn verdriet te moeten verdringen.
Het moment is aangebroken, wat gaan we vandaag doen?
De gedachten blijven leeg, in harmonie met mijn lichaam,
Want ik voel me ook echt leeg.
Elke dag kijk ik in de spiegel, hopend op een nieuw zicht,
Maar de tunnel blijft donker zonder licht.
Ik kan het haast niet geloven,
Mezelf altijd maar dingen blijven beloven.
Ik wil wel, maar ik kan niet,
Ik probeer wel, maar ik vergeef het me niet.
Ik koos het verkeerde pad,
En nu zit ik op een oneindig groot blad.
Ik voel me zo klein,
Men hart geef intense pijn.
Ik heb maar weinig mensen om mee te praten,
Maar elke dag weer hoop ik op een mirakel.
Ik raak helemaal vervreemd van de wereld,
Verlies al mijn vaardigheden.
Ik zou zo graag terug leven,
Zonder vanbinnen constant te moeten wenen.
Ik probeer en probeer,
Maar het lijkt wel of ik het gewoon ben verleert.
Ik kan het gewoon niet begrijpen,
Niemand kan dit begrijpen.
Dus heb ik iedereen gewoon leren zwijgen.
Elke avond kijk ik terug door dat zelfde ochtendraam.
De zon begint stillaan onder te gaan.
Het word met de minuut stiller buiten,
Ik begin uit mijn cocon te kruipen.
Eindelijk is het nacht, ik hoor zo goed als niks.
De wereld staat eventjes stil.
De meeste mensen zwijgen,
En eindelijk voel ik me ook eventjes chill.
Ook al weet ik men achterhoofd dat ik het zo niet wil.
Toch blijf ik nog altijd op de been,
want er zijn nog altijd mensen waar ik voor leef.
En zoals men zegt: hoop doet leven.