Traan
Steeds weer zie ik je gaan.
Je baant je een weg naar beneden.
Een brok in mijn keel.
Weer is er iets verschenen.
De traan wordt alsmaar dikker.
En streelt mijn wang.
Zachtjes en puur.
Verdriet zoals geen ander.
Troostende woordjes.
De traan zakt langzaam naar mijn mond.
En ik denk nog waardoor hij feitelijk ontstond.
Een nieuwe wordt gevormd.
Maar plots zie ik weer licht.
Mijn ogen zij nu niet meer zo nat.
Het verdriet maakt langzaam plaats voor herinering.
Gelukkige tijden van ooit.
En prompt mijn tranen zijn opgedroogd.