Het mistgezicht van de stad. Een uitgezongen jubelbed.
De starheid van het materiaal en het strakke raam
Op de werkelijkheid. Koele nietszeggendheid van uren
En dagen, digitale angstklokken op de wang van de wereld.
De man kruipt uit het kind krijgt zijn kindertijd niet
Onder de arm. Kunnen mensen niet dichter bij elkaar
Dan een noodwendige samenslag van het leven, slikken
Van jaren en aarde? Zwervershanden, lippengemis, asfalt en
Honger. Dit is het enige. Letterkoorts. Met mijn woorden
Die willen genezen tegen uw buik, in uw hals, in de muziek
Van uw mond, in troostende bochten van armen en benen.
-26/3/02-