Twee mensen liepen weg van elkaar
over straat. Op hun lichamen de tekens
van het pijnlijke schaven aan mekaar,
van het niet kunnen verzoenen.
Van harten die elkaar niet meer kunnen beluisteren
wordt de liefde dra star en verwaarloosbaar.
Want zonder de blootheid in gedachten is naaktheid
slechts de schrale troost van twee vreemde lijven.
Ooit eens, liepen twee mensen arm in arm
stram van het schrikken van elkaar,
van het niet meer kunnen denken aan mekaar.
Maar in de aanraking van hun handen
groeide opnieuw de zachtheid van de hoop.
Zij droomden zich vooruit en maakten mekaar
de weg die door liefde noodzakelijk was geworden.
Maar ik stond koud op uit die droom. De echo's
van een holle werkelijkheid kwamen me tegemoet:
liefde is een scherp en eenzaam gevecht op straat.