Zwervers of daklozen?
De wintermaanden komen er al weer snel aan,
Hoe zal het dan met al onze daklozen vergaan?
Altijd in de kou - vaak hongerig en zonder brood,
Hun neus ophalend - zij horen immers toch in de goot?
Vaak zie ik ze lopen - bij ons in de stad,
Ik vraag me dan af - wat voor pijn hebben hun gehad.
Zij dragen - vieze oude - en gescheurde truien en broeken,
Staan bibberend van de kou -– bedelend op de hoeken.
Wij noemen ze geen zwervers meer - maar daklozen,
Gewoon - eenzame mensen - troosteloze.
Stinken doen ze wel - de mensen mijden hun - met een boog.
Mededogen komt uit mijn hart omhoog.
Hoe komt het toch dat in ons zo rijke land,
Er toch zoveel mensen zijn gestrand?
Vaak zie ik ze liggen op een bank - helaas,
Hun bezit in een plastic zak - een fles drank er naast.
Zittend op een bank - gillend of lachend van verdriet,
Volgens mij verdiend geen mens of dier zoiets.
Beschaamd voor wat ik heb - loop ik maar weer door,
Sluit mijzelf er voor af - doe of ik niets meer hoor.
Als ik dan weer thuis ben - en het eten staat op,
Dan denk ik weer aan hun – en schaam mij de ogen uit mijn kop.
Had ik nu echt niets voor hun kunnen doen?
Even met ze praten – gewoon met wat meer fatsoen.
En weer denk ik dan - de kou komt er nu gauw aan,
Hoe zal het dan met al deze mensen vergaan??
J.v.B