Angst wint de laatste weken steeds meer,
ze fluistert zacht: er is niets, je bent niet alleen.
Ik draag haar dicht op mijn huid, keer op keer,
en geloof haar soms, tot door mijn botten heen.
Ik ben bang om los te laten wat ik vasthoud,
alsof ik zonder steun tegen een koude muur beland.
Bang dat ik dan niet meer weet wie ik vertrouw,
en mijn adem stokt, alsof ik vastzit aan die rand.
Bang om de noodlijn in mij uit te doen,
want wie blijft waken als het donker lacht?
Alsof mijn hart niet meer weet hoe ik rustig moet doen,
alsof ik zonder sirenes verdwijn in de nacht.
Bang voor wat omhoogkomt als ik het wél mag voelen,
de golf die breekt, het water op mijn gezicht.
Voor alles wat ik jaren heb leren weggespoeld,
dat nu wil spreken, fel en ongericht.
Of bang voor de leegte die het achterlaat,
een kamer waar mijn adem trilt en blijft.
Bang dat ik zonder strijd niet weet wat er bestaat,
en dat mijn eigen stilte mijn verhaal herschrijft.
Bang om opnieuw de regie te nemen aan het stuur,
omdat falen in mij klinkt als: jij bent verkeerd.
Alsof één misstap meteen een oordeel wordt, zo puur,
en ik geloof het alweer, alsof ik dat al eerder heb geleerd.
Misschien is het stilvallen, omdat het voelt als gevaar,
de stilte roept mijn naam en niemand antwoordt terug.
Alsof ik zonder snelheid niet meer zichtbaar ben, niet waar,
en toch… Ik wil zo graag mijn rust & adem terug.