De concurrentiestrijd op school was enerverend,
er was altijd nijd en afgunst in de klas.
Een proefwerk - om de zoveel dagen wederkerend -
was een gevecht op’t scherpst der snee, scholieronterend,
een sadistisch meesterspel. Uit leraars tas
kwamen ied’re keer weer nieuwe kwelpapieren,
die vervolgens werden uitgedeeld, tot schrik
en ontsteltenis van hen die drieën, vieren
-en de zenuwen die weerom zouden gieren -
of nog lager punten vreesden. Zoals ik.
Het hoogtepunt der stressvolle momenten
uit die dagen was een snelheidstest-dictee.
Weer een nieuwe vondst van een dier snertdocenten
ter ontmoediging, frustrering der studenten
die zich willoos lieten uitspelen, gedwee.
Ach, daar zaten we, gespannen en bezweet,
te wachten op een nieuwe zware tartstunt.
De leraar telde af, “vier, drie, twee éen…”,
de schoolsadist, en lachte vals, gemeen,
met een stopwatch in de hand, vermaakt door’t leed.
Een beul die je de krampen in zijn hart gunt.
“En nul! Neem jullie pen, daar gaan we.
Start!
Punt!”.