Pa kauwt alweer zijn honger weg,
want pap gaat in zijn mond staken.
Hij wil overvloed, geen armoede;
zelfs de bomen hebben al dunne staken.
Dat de akkers huilden, lachte hij weg;
het graan wuifde nog maar af en toe.
Ze sliep toen we in haar armen kwamen;
alleen de schuur droeg wat van waarde.
Bonen lepelde hij vaak van het vlakke land,
dat hem soms misleidde met zware kost,
zijn tanige vingers schuwden het lege bord