de kerktoren kijkt mistig
hooghartig op ons neer
een vrome kerkjongen soms listig
een man laadt zijn geweer
verliefd omarmt de winterwind
een moeder, vader, kind
de mis reeds begonnen
die gekke God heeft weer gewonnen
maar die jongen sproetjes vol
deze eigenwijze knul
een kop met kritisch benul
staat van de spanning bol
deze jongen met rood sluikend haar
is met de Bijbel klaar