De hemelen spraken
en ik, taal armoedig
verinnerlijkt bewoog
schoorvoetend, een pas
en nog een, eenzaat in
weideland, onschuldig gras
geborgen ondermaans
stamelde een kinderlied
het huis was niet heilig
zouden geestgronden
parelen, heersers wanen
dromen vleien, schuren
tegen verdichte zolderdaken
betreurden 't diepste stof
en zou geen woord, ooit
gebarsten lippen verlaten